Ik kan nog steeds niet vliegen

Zomer 1945. Luuk van dertien gaat naar Denemarken om aan te sterken na de hongerwinter. Drie maanden lang mag hij lui in het gras liggen en bessen met room eten. Maar op de boerderij zijn twee meisjes met een geheim; voor de Nederlandse Ida en de Deense Kirsten is de oorlog nog niet voorbij. Luuk dacht dat hij volwassen was na vijf jaar bezetting, maar kan hij Ida en Kirsten ook helpen?

 

Leopold, 2012
Leeftijd: 11+
Prijs: € 14.95
ISBN: 9789025860295

 

Winnaar van de Thea Beckmanprijs 2012
Vertaald in het Deens

 

De jury is zeer onder de indruk van de wijze waarop de auteur het zware thema van de Tweede Wereldoorlog terloops maar zeer doeltreffend aansnijdt via deze adolescentenpastorale op het Deense platteland. Echt zo’n boek waarvan je het jammer vindt dat je het uit hebt.
-Juryrapport Thea Beckmanprijs 2012

een prachtig sprookje over twee stadse kinderen … een ontroerend verhaal
-J/M

mooie geloofwaardige dialogen waarin met weinig woorden veel wordt gezegd.
-Susan Venings op Kinderboekenpraatjes.nl

een prachtige stijl van schrijven
-Reformatorisch Dagblad

 

Inspiratie

 

Mijn vader werd net als Luuk geboren in 1932. Hij maakte de Tweede Wereldoorlog mee in Amsterdam, en tijdens de hongerwinter had hij net als veel andere Nederlandse kinderen nauwelijks genoeg te eten.
Na de oorlog bedacht de Nederlandse regering een manier om arme, ondervoede kinderen weer sterk en gezond te maken: ze mochten een tijdje naar het buitenland, naar landen waar wél te eten was. Mijn vader was een van de kinderen die op reis mochten na de oorlog. Hij ging naar Denemarken, en logeerde daar drie maanden op de boerderij van de familie Rasmussen. Hij leerde koeien melken en paardrijden, at heel veel witbrood (en leverpastei en bessen met room en bietjes in het zuur en kaneelcake) en werd verliefd op de beeldschone dochter van de boer…

Voordat ik begon aan Ik kan nog steeds niet vliegen heeft mijn vader mij alles verteld over zijn wonderbaarlijke zomer in Denemarken. En ook tijdens het schrijven belde ik hem vaak nog even op: wat voor wc hadden ze eigenlijk op de Deense boerderij? Hoe zette je de korenschoven precies rechtop om het graan te laten drogen? Gebruikten mensen het woord ‘sorry’ al in 1945? Zonder hem had ik het boek niet kunnen schrijven.
Ik heb mijn vaders ervaringen dus als uitgangspunt genomen, en daar heb ik voor Ik kan nog steeds niet vliegen van alles aan toegevoegd. Om maar iets te noemen: Ida. Mijn vader logeerde helemaal alleen op de boerderij, en dat betekende dat hij drie maanden lang geen Nederlands sprak. De eerste weken praatte hij in een soort gebarentaal met de Denen (dan legden ze hun hoofd op hun handen en wist mijn vader dat hij moest gaan slapen). Dat leek me voor een boek nogal saai, dus daarom ontstond Ida. Het Duitse paard heeft trouwens wel echt bestaan, en de hond die melkstralen kon opvangen met zijn bek ook!

Mijn vader was dus niet het enige kind dat op reis ging: zo’n 30.000 Nederlandse kinderen zijn na de oorlog naar het buitenland geweest om aan te sterken en te herstellen van vijf jaar bezetting. De kinderen reisden naar Engeland, Denemarken, Zweden en Zwitserland; daar logeerden ze bij mensen thuis, of ze verbleven in speciale kampen.
Je kunt je voorstellen dat het een reusachtige onderneming was: veel kinderen reisden voor het eerst naar het buitenland. Ze spraken alleen Nederlands en hadden geen idee bij wie ze terecht zouden komen. Sommige kinderen hadden bijna geen kleren meer: ik heb gelezen over jongens die op blote voeten op reis gingen, of op houten plankjes die ze met riempjes aan hun voeten hadden gebonden. De oorlog was pas net voorbij, dus treinen reden vaak nog niet (daarom reizen de kinderen in Ik kan nog steeds niet vliegen per viswagen naar Denemarken), veel kinderen waren bang, of ziek, en ook de mensen bij wie ze logeerden hadden soms maar net genoeg te eten.
Toch hebben veel Nederlandse kinderen het fijn gehad in het buitenland: het was een groot avontuur voor hen, en een prachtige kans om wat van de wereld te zien. Sommige kinderen hielden hun hele leven lang contact met het gezin waar ze logeerden. Mijn vader is later nog twee keer teruggegaan naar de Deense familie die hij zo goed had leren kennen, maar nu heeft hij jammer genoeg geen contact meer met hen. Far en Mor (de vader en moeder van het gezin) leven niet meer, en als hun kinderen nog bestaan, dan zijn ze bijna negentig.
Mijn vader is zelf ook al boven de tachtig, maar hij spreekt nog steeds Deens. Hij kan koeien melken, en hij weet nog steeds hoe het voelde om onder een dik dekbed te liggen totdat de Deense zon hoog aan de hemel stond. Hij herinnert zich hoe de lampen in de koeienstal op regenachtige dagen sprookjesachtig door de waterdamp schenen, en zijn lievelingstoetje is nog steeds rødgrød med fløde: rode bessen met room.
Wil je meer weten over de 30.000 kinderen die na de Tweede Wereldoorlog op reis gingen? Ik heb twee boeken gelezen die ik erg interessant vond (ze zijn geschreven voor volwassenen, dus ze zijn voor kinderen misschien niet zo makkelijk te lezen):
De Bleekneusjes van 1945. De uitzending van Nederlandse kinderen naar het buitenland, Jan Sintemaartensdijk.
Kleine reizigers, grote reizen. Oorlogskinderen op reis door Europa, Ada de Lange-Timmerman & Anneke de Lange.

Deense vertaling
Voordat ik begon aan dit boek, ging ik een week naar Denemarken. Er viel ongelooflijk veel regen!
Inspiratie opdoen in het openluchtmuseum bij Kopenhagen - naar zo'n boerderij gaan Luuk en Ida.
Zo komt een schrijver aan ideeën: in het Deense Openluchtmuseum zag ik deze voorraadkast. In 'Ik kan nog steeds niet vliegen' loopt Ida op pagina 115 naar de voorraadkast en dan staat er: 'Elke plank is versierd met een strook krantenpapier die in vrolijke punten is geknipt, alsof er iemand jarig is.'
Hier komen Duitse kinderen aan in Nederland - let op de kartonnen borden rond hun nek: die dragen Luuk en Ida ook.
Dit is niet mijn vader, maar een andere Nederlandse jongen; dit jongetje ging aansterken in Engeland.